De beurscrisis van 1929 en de daaropvolgende recessie hadden ook voor de vliegtuigfabrieken kwalijke gevolgen, al werd het effect daarvan pas in de jaren daarop goed merkbaar. Geplaatste bestellingen konden meestal wel worden afgewerkt maar nieuwe orders werden steeds schaarser. Dat dwong Fokker tot het zoeken naar een nieuw "gat in de markt". Een resultaat daarvan was in 1932 het ontwerp voor de F.XVII, een klein, snel eenmotorig vliegtuig dat geschikt was voor post-, vracht- en passagiersvervoer. De Wetenschappelijke Afdeling zette drie varianten op papier. De grootste daarvan, de F.XVIIb voor 9 passagiers, had als technische bijzonderheid stroomlijnkappen die de wielen omsloten als mosselschelpen. De bedoeling was de luchtweerstand van het onderstel te verlagen. Fokker volgde met zijn ontwerpen voor de F.XVII een internationale stroming in de vliegtuigbouw. In de Verenigde Staten stonden rond 1932 vergelijkbare toestellen op stapel als de Clark/General Aviation GA-43 en de Airplane Development Corporation V.1. Andere vertegenwoordigers van deze stroming, de Lockheed Altair en Orion, vlogen in 1932 al. In alle gevallen betrof het zware en snelle eenmotorige verkeerstoestellen, fraai van stroomlijn en meestal geheel van metaal, waarbij de vlieger voor of achter, maar in ieder geval hoger zat dan de passagiers. De cockpit was van de passagierscabine afgescheiden en steeds gesloten. De toestellen waren laag- of middendekkers, voorzien van onder andere een verstelbare propeller en een staartwiel. Het ontwerp van Fokker trok de aandacht van onder meer de Zweedse AB Aerotransport, de Franse CIDNA en Swissair. Laatstgenoemde maatschappij koos echter voor de Lockheed Orion. Hoewel de FXVII er futuristisch uitzag, bleven bestellingen uit. De F.XVII werd dan ook niet gebouwd.