De
invalshoek van de
vleugel van een
vliegtuig is de hoek tussen de
koorde van de vleugel en de richting van de ongestoorde luchtstroming. De invalshoek (Engels:"angle of attack") wordt gekenmerkt door het alpha (α)symbool.
De lift die gegenereerd wordt door een vleugel(profiel) is direct afhankelijk van de invalshoek. Hoe kleiner de hoek, hoe sneller het vliegtuig moet vliegen om in de lucht te blijven. Door de neus van het vliegtuig met de hoogteroeren op te trekken wordt de invalshoek vergroot. Hierdoor kan een vliegtuig met relatief lage snelheid toch opstijgen. Het vergroten van de hoek kan tot het punt waar de luchtstroom loslaat (er ontstaan dan turbulenties) en het vliegtuig
overtrokken raakt. Op dit punt is er minder draagkracht en valt het vliegtuig naar beneden totdat de piloot of de beveiligingssystemen ingrijpen. Voor bijna alle vleugelprofielen van gewone vliegtuigen is dit een hoek van ongeveer 15?. Bij het landen wordt de neus van het vliegtuig opgetrokken, waardoor de draagkracht bij de lage landingssnelheid nog voldoende blijft.
Andere hulpmmiddelen die ook ingezet worden bij het opstijgen en landen zijn de
welvingskleppen (Eng. flaps),
vleugelneuskleppen (Eng. slats) en (alleen bij sommige gevechtsvliegtuigen) verdraaibare vleugels. De welvings- en vleugelneuskleppen zorgen voor een zogenaamde 'virtuele invalshoek' die groter is dan de echte invalhoek. Hierdoor wordt de draagkracht van de vleugel vergroot, maar zal er ook eerder overtrekking van de vleugel plaatsvinden. Een vliegtuig start en landt in het algemeen met volledig uitgeslagen kleppen. Deze worden tijdens de kruisvlucht ingetrokken voor minder ge?nduceerde weerstand. Verdraaibare vleugels combineren de hogere lift en algemeen betere vliegeigenschappen van rechte vleugels bij lage snelheid met de voordelen van een deltavleugel bij hoge snelheid.
Bij helikopterrotorbladen en verstelbare propellers kan men de invalshoek verstellen voor het regelen van de opgewekte kracht.