De snelheidsmeter in een
vliegtuig is een meetinstrument dat de snelheid ten opzichte van de omringende lucht meet (IAS: indicated airspeed). De snelheid wordt weergegeven in
knopen (Engels: knots). Een snelheidsmeter meet middels een
Pitotbuis het drukverschil tussen de energiedruk enerzijds en de statische druk anderzijds.
Op de meter zijn een witte, gele en groene lijn aangebracht en een rood merkteken. Deze geven een aantal V-snelheden aan.
Rood merkteken: De
piloot mag nooit zo snel vliegen dat hij over dit merkteken gaat.
Gele lijn: De hoogste snelheid in dit bereik is alleen toegestaan als er geen
turbulentie is. Er mogen alleen kleine roeruitslagen gemaakt worden, omdat er anders te grote belastingen op de vliegtuigconstructie komen te staan.
Groene lijn: Deze geeft het bereik aan van de snelheid bij normaal vliegen met de
welvingskleppen (Engels: flaps) en het
landingsgestel ingetrokken tot de snelheid bij het begin van de gele lijn.
Witte lijn: Het bereik van deze lijn gaat vanaf de snelheid met welvingskleppen uit tot de maximum snelheid met welvingskleppen uit en overlapt gedeeltelijk met de groene lijn. Wordt er te langzaam gevlogen, dus buiten de witte lijn, dan raakt het vliegtuig
overtrokken en zal het naar beneden vallen.
Omdat de luchtdruk (en daarmee de luchtdichtheid) afneemt met de hoogte wijst de snelheidsmeter op hoogte een lagere snelheid aan dan die het vliegtuig werkelijk vliegt (TAS: true airspeed). Uit aerodynamisch oogpunt wijst de snelheidsmeter dan echter nog steeds de goede snelheid aan.